Paardrijden en hindernissen


30 januari 2014 Facebook Twitter LinkedIn Google+ Dieren


Paardrijden

Paardrijden: lagergelegen en aflopende hindernissen

Voor een samengestelde wedstrijd is er altijd een zekere hardheid en dapperheid vereist van ruiter én paard. Maar met name op de indrukwekkende aflopende hindernissen worden de moed van het paard en de koelbloedigheid van de ruiter het meest op de proef gesteld. In dit artikel leest u alles wat u moet weten over aflopende en lager gelegen hindernissen tijdens het paardrijden, of dit nou tijdens een wedstrijd paardrijden is, of tijdens bijvoorbeeld een buitenrit paardrijden. U leest meer informatie, maar ook tips en richtlijnen voor  dit paardrijden.

Paardrijden: evenwicht tot iedere prijs

Hindernissen met een lager gelegen neerdaling of een aflopende hindernis stellen het paard (en de ruiter) voornamelijk voor een evenwichtsprobleem tijdens het paardrijden. Vanuit deze optiek moet er getraind worden om deze hindernissen correct te kunnen naderen en nemen.

Paardrijden: een kwestie van vertrouwen

Voor aflopende hindernissen zijn in paardrijden vaak indrukwekkende sprongen nodig, waarbij het paard zich ‘verslonden’ voelt door het gat dat erop volgt. In veel gevallen ziet het paard de bodem van de neerzetting niet: hij werpt zich letterlijk de leegte in en daarvoor zijn veel moed en een groot vertrouwen in zijn ruiter nodig.

Paardrijden: op de schouders

Bij een afdaling wordt het gewicht van een paard voornamelijk op de schouders overgebracht. Dat is voor hem niet de beste positie om te springen. Een hindernis die tijdens het paardrijden op een afdaling is geplaatst vereist een enorme krachtsinspanning van hem om zijn schouders op te richten en zich van de bodem los te maken. Terwijl hij zich met kracht voortstuwt om de noodzakelijke sprong te kunnen maken, moet het paard vermijden zich in een lange baan erop af te snellen, wat hem heel ver neer zou kunnen doen komen.

Paardrijden: de passen verkorten

Het is cruciaal om de snelheid van het paard onder controle te houden en hem trager te laten paardrijden als men bij de hindernis is aangekomen door hem korte, of in omvang afnemende passen, te laten maken. De afzet moet niet vlak voor de hindernis geschieden, want dan zou het paard gedwongen worden zijn voorhand te sterk op te heffen gevolgd door een verticale beweging en dat is bij een aflopende sprong praktisch onmogelijk. Door daarentegen de afzet op relatieve afstand van de hindernis te doen hoeft het paard geen hoge sprong te maken, hij gaat dan namelijk iets boven de hindernis heen.

Paardrijden: het probleem van het neerkomen

Een goed ingecalculeerde afzet verplaatst tevens de te omschrijven baan en voorkomt dat het neerkomen te laag in de afdaling geschiedt. Hoe lager de baan, hoe verder het paard natuurlijk in de helling neerkomt, hoe groter de verworven snelheid bij de sprong, hoe meer inspanning er nodig is bij het neerkomen met alle risico’s van evenwichtsverlies en vallen van dien.

Paardrijden de plaats van de ruiter

De ruiter moet alles voorkomen het paard te hinderen met zijn eigen evenwichtsproblemen tijdens het paardrijden. Alleen zijn gewicht al, als dat slecht verdeeld is, is voldoende om het paard zowel bij de afzet als bij de landing te doen wankelen. Hij moet ook in voldoende mate de techniek beheersen om de passen goed te zien en zelf in staat zijn het paard te helpen zijn benen goed neer te zetten en een goede baan te omschrijven.

Paardrijden: niet te veel naar voren hangen

Bij de afsprong, moet de ruiter voorkomen naar voren te gaan hangen, waardoor zijn gewicht op de schouders van het paard komt te rusten en hem daardoor zal verhinderen van de grond los te komen. Als het gewicht van de ruiter rust op de voorhand van het paard, zal het paard bij het neerkomen kunnen wankelen en uiteindelijk vallen.

Paardrijden: niet echt te veel naar achteren hangen

Het is echter ook niet goed om te veel naar achteren te hangen. Dat drukt de achterhand plat en dan kan het paard niet voldoende stuwkracht geven boven de hindernis. De achterbenen lopen de kans achter te blijven en achter de hindernis te blijven steken. Bovendien kan de ruiter die te veel naar achteren hangt zich lelijk stoten aan de achterboom. Uit balans gebracht kan hij naar voren worden geworpen, wat het neerkomen in gevaar kan brengen of waardoor hij ernstige handfouten maakt.

Paardrijden: techniek

Bij het naderen neemt de ruiter het paard terug door het bovenlichaam op te richten. Als het paard tuimelt, moet de ruiter het bovenlichaam weer oprichten, de benen vrij naar voren en de hakken laag houden. De armen moeten ver naar voren gestrekt worden, terwijl de teugels in geen geval de hals mogen blokkeren, want het paard heeft die nodig om zich te herstellen.

Voor het naderen van en neerkomen na een aflopende of lager gelegen hindernis is veel techniek vereist. Het paard moet leren zich bij het naderen in te houden, zijn afzet goed te nemen en snel zijn voorbenen te strekken om niet te ver van de hindernis neer te komen.

De eerste sprongen heuvel af moeten geoefend worden met losse hindernissen bij paardrijden. Als het paard zich goed begint te plaatsen, kan men starten met kleine hindernissen waarvan de helling het paard aanspoort zich in te houden bij de afzet.

Paardrijden: de lager gelegen hindernis

De lager gelegen hindernis staat zelden op zichzelf: hij wordt in de regel gevolgd door een andere sprong, ook aflopend of recht. Voor deze sprongen is véél techniek vereist.

Paardrijden: haast u langzaam

Bij een lager gelegen hindernis wordt het evenwicht van het paard sterk op zijn schouders overgebracht, te meer daar de snelheid groot is. Het paard moet dus, met verkorte of afnemende passen, vrij traag aankomen tijdens het paardrijden. Het gaat erom de lager gelegen hindernis eerder af te dalen dan te springen. Een te snelle nadering leidt over het algemeen tot een moeizaam neerkomen. In het geval dat deze hindernis door een ander wordt gevolgd, zal het paard moeite hebben zich te herstellen.

Paardrijden: een pas of een vlooiensprong

In de wedstrijden van de middenklasse, is er voor de hindernis die volgt op de aflopende hindernis na het neerkomen één pas ingebouwd, hetgeen het paard de tijd geeft zijn evenwicht te hervinden en de tweede sprong onder de juiste omstandigheden in te zetten. De bewuste hindernis is een rechte – boomstam e.d. – die geen technische problemen oplevert en waarvoor geen grote sprong is vereist.

In hoofdklassenwedstrijden komt het nogal eens voor dat de aflopende gevolgd wordt door een ‘vlooiensprong’. Dit is heel moeilijk, want het paard moet, zodra hij is neergekomen, meteen weer springen. Als hij dit niet goed uitvoert, kan hij vallen. Het paard zou op dit moment ook kunnen weigeren.

Paardrijden: belangrijk om te weten

Voor een aflopende hindernis, ook al is deze niet hoog, komt het paard neer, alsof hij een zeer grote sprong heeft gemaakt. Het contact met de bodem is ruw en het paard moet een enorme inspanning leveren om zich te herstellen en zijn parcours te vervolgen. De benen van het paard – met name de voorbenen – worden zwaar op de proef gesteld.

Als u meer informatie zoekt van paardrijden, of u wilt info lezen omtrent paardrijden met andere soorten hindernissen, dan vindt u uiteraard heel wat informatie terug op het internet. Lees bijvoorbeeld meer over paardrijden via http://nl.wikipedia.org/wiki/Paardrijden. Op deze website moet u ook eens een kijkje nemen in de andere artikel, er werden namelijk meerdere artikels gepubliceerd omtrent paardrijden.